Posts tonen met het label columns. Alle posts tonen
Posts tonen met het label columns. Alle posts tonen

maandag 2 december 2013

Werkelijk

Ik wil dicht tegen mijn gevoel aan staan, het hier en nu werkelijk ervaren. Het is goed om emoties toe te laten, ze zijn de ijkpunten van wie je werkelijk bent.
Maar soms komen die emoties onuitgenodigd vrijwilligerswerk verrichten. Ze hebben blijkbaar een sleutel, want ze staan ineens in je bovenkamer de ramen te lappen. Het gebeurt als ik een compliment krijg en daar ben ik intussen goed op voorbereid: de zeem ligt altijd voor het grijpen. Maar soms komen ze zó onverwacht en zó enthousiast dat ik die zeem niet vinden kan en andere maatregelen moet treffen.
De slagersvrouw is hard bezig met het snijden van salami, ze is rood aangelopen en blaast een lok haar uit de ogen. “Dat was het?”, vraagt ze aan de heer voor me. Er hangt iets zwaars aan haar stem, een pendule die de tijd vertraagt. Ze pakt de salami vakkundig in en stopt het in een tasje. Buiten zitten hangouderen op een bankje te wachten op een belofte, een botsing van twee winkelwagentjes, een praatje, een verdwaald kind.
De slagersvrouw kijkt me vermoeid aan.
“Goedemorgen”, zegt ze, “of is het al goedemiddag?”
“Het is nog goedemorgen”, zeg ik, altijd in voor een grapje.
“Oh. Nou, de tijd kan niet snel genoeg gaan, toch?”
“Vind je dit werk niet leuk, dan?”, vraag ik prompt en heb er onmiddellijk spijt van.
“Hoezo? Je kan maar beter thuis zitten, toch?”. Ze kijkt me aan met een treurige blik, mijnheer is zeker niet helemaal van deze wereld …
De vrijwilligers staan ineens monter voor mijn neus met emmers te zwaaien. Ze morsen kwistig met hun sponsen en trekkers. Protesteren heeft geen zin. Van schrik duik ik voorover de vitrine in, op zoek naar iets van mijn gading. Ik kan niks onderscheiden, de vleeswaren vloeien in elkaar over. “Gaat u maar voor, ik moet nog even kijken”, zeg ik tegen de schim achter me vanuit mijn gebukte houding. Geen antwoord. Dat is ook niet mogelijk want het is een kartonnen big met een blozend gezicht, die hamsalade aanprijst. “Doet u maar twee ons hamsalade”, zeg ik tegen de vitrine. De vitrine antwoordt wel: “ dat is zalmsalade. Ook lekker, hoor”.
“Ja, goed ”.  Terwijl de slagersvrouw een bakje voor de salade pakt, richt ik mij weer op en kijk door de winkelruit naar buiten. De hangouderen kijken terug. Hier sta ik, de belofte, een hopeloos verdwaald kind. Maar ze zien het niet, het hier en nu hebben ze achter zich gelaten en als ik de slagerij verlaat gunnen ze me geen enkele blik.
Ik ben even kwijt wie ik werkelijk ben.

dinsdag 1 oktober 2013

Erosie

Wij schrijven onze eigen geschiedenis. Soms komt dat verhaal in een ander daglicht te staan.
Mijn vader was huisarts in een klein stadje, overal voorzitter van en vol troostende woorden voor patiënten die in moeilijkheden zaten. Een belangrijk deel van de bewoners ging op zondag twee keer naar de kerk, hij was niet religieus, u begrijpt: de roddels vlogen als kraaien boven het maaiveld.
Onlangs had ik een reünie met een vriendin die ik veertig jaar niet had gezien. Dan merk je al gauw dat herinneringen aan creatieve erosie doen. Tijdens het nagerecht zegt ze ineens: “zeg Bert, jouw vader had een vriendin en daar had hij een zoon bij. Zie je die jongen wel eens?” Ik staar haar vijf seconden aan, verbluft door de zekerheid waarmee ze het zegt en barst in lachen uit.
Mijn vader, moet u weten,  was een rustige man, een rots in roerige tijden, die zich niet het hoofd op hol liet brengen. Dat is een prettige zekerheid in de woelige zee van mijn herinneringen.
Wij denken vaak de waarheid te weten al hebben we niet alle informatie, want het is zo fijn om iets met zekerheid te kunnen zeggen: die vage kennis is weer terug bij zijn vrouw, suiker is vergif, heavy metal is slecht voor de ziel. Niks mis met die zekerheden, zolang je ze niet gelooft. De zekerheid over die vage kennis, dat is het echte vergif, het is een roddel en daar kan een mens last van krijgen.
Wat mij verontrust is het feit dat ik die roddel niet ken. Vreemd genoeg blijkt bij  navraag niemand, die in die tijd in het stadje woonde, iets van de roddel af te weten. Die vriendin wist het zeker, haar moeder heeft het haar verteld en dat is geen roddeltante. Gelukkig kon ze het haar moeder vragen en wat blijkt? Haar moeder heeft nog nooit van die roddel gehoord…
“Wat in de herinnering wordt opgeslagen, is geen exacte replica van de werkelijkheid, maar een herschepping ervan.” ( De onzichtbare Gorilla, Christopher Chabris & Daniel Simons)
Natuurlijk waren er roddels, maar deze niet. Dit verhaal is in de loop der tijd ontstaan in het hoofd van die vriendin, de oorsprong is vergeten. Het is waarschijnlijk een andere vader, die een losbandig leven leidde en zich daar niet voor schaamde en zij vond dat wel spannend en bovendien vond ze mijn vader aardig, zoiets. 
De onzichtbare Gorilla: “Het lijkt erop dat ons geheugensysteem ons graag in het centrum van de activiteit plaatst”. Ik sta in het centrum van mijn eigen geschiedenis en kijk naar mijn vader. Als ik maar hard genoeg aan mijn vermeende halfbroer denk, schrijf ik zo een andere geschiedenis.
Niet verder vertellen, hoor, daar komen roddels van.

donderdag 2 mei 2013

De nieuwe tijd


In de jaren 60 was ik een salonhippie en propageerde ik love, peace en happiness.
Met love had ik nog geen ervaring, over peace had ik niks te melden en happiness verkreeg ik door stimulerende middelen. Ik ben wijzer geworden en dat heeft tot gevolg dat ik gewelddadig communiceer. Jazeker, ik neem anderen in de maling, negeer hun behoeften, sluip om ze heen om hun zwakke plekken te zoeken, verzuip ze in verhalen die hen niet interesseren en stuur ze in richtingen die ze niet willen gaan. Dat verschaft me veel plezier. Waarom denkt u dat ik lach om komedies en huiver bij de tragedies van Shakespeare? Herkenning! Het menselijk tekort is één van de redenen waarom ik in de communicatie werk. Ik woon in mijn tekorten, voel me er veilig. Het zijn de eigenschappen die me onderscheiden van anderen en de tekorten van anderen kan ik er scherper door zien.
Maar nu heb ik het boek Geweldloze Communicatie van Marshall B. Rosenberg gelezen en het wordt me zwaar te moede. Over love, peace en happiness gesproken! Je moet er, zo blijkt, voor werken en afscheid nemen van oude gewoonten! Afscheid nemen van wat ik denk dat mij uniek maakt valt me zwaar, ik moet een nieuw huis vinden, waar ik alles opnieuw moet inrichten. Oh, wat zou ik graag zonder oordeel mededogen voelen voor anderen zonder daarbij mijn eigen behoeften uit het oog te verliezen. Daar heb je bovenmenselijke kracht voor nodig en ik ben zo zwak, zo verslaafd aan mijn hekeltjes, minachtinkjes, jaloezietjes. Ik weet het wel, die hekeltjes maken mij niet uniek, wel nee, ze zijn banaal, iedereen heeft ze, u ook. Nee, het gaat er om welke behoefte er achter die hekeltjes zit en dan moet er gegraven worden en wat heb ik een hekel aan graven, ik zoek het liever bij de ander. U ook. Toch?
Rosenberg schrijft:  Aan veel, zo niet alle geweld (…) ligt een denkwijze ten grondslag die de oorzaak van een conflict zoekt bij wat er verkeerd is bij de tegenstander.
Ik kreeg een blaadje in de bus. Het droeg de titel Authenta en was crème-bruin van kleur. Begrafenisondernemers moeten ook leven, dacht ik bij mezelf, tot ik me realiseerde dat het een schrijven was van een club die geweldloze communicatie voorstaat en dat ik zelf om het blaadje  gevraagd had. “Kan dat wat vrolijker? “, dacht ik bij mezelf, “Denken ze daar niet na over een beetje leuke vormgeving?  Hun ideeën over vormgeven kwamen niet overeen met de mijne en het grappige is dat ik helemaal geen ideeën heb! Behalve dan dat begrafenisondernemers in het crème-bruin communiceren. Wat dan weer niet waar is.
De  verwarring was totaal en dat komt allemaal door Rosenberg, want die heeft de boel op zijn kop gezet. Daar bent u het wel mee eens, denk ik. We willen uiteindelijk gewoon met rust gelaten worden.
Love, peace en happiness. Nooit geweten dat het wat betekende.

vrijdag 1 maart 2013

Dirigeren


Ik heb er genoeg van, ik kan niet langer doen of er niks aan de hand is, het is tijd voor mijn coming out: ik volg een cursus gebarentaal. Zo, dat is er uit. Toen ik dit aan een vriend vertelde, trok hij gekke gezichten en maakte idiote gebaren, waarmee de toon was gezet: gebarentaal is voor mensen die niet helemaal sporen. Ik had helemaal geen behoefte meer om over gebarentaal te vertellen, mijn verhaal mocht niet bestaan.
Onlangs zag ik zes jongens, op straat,  die elkaar iets te vertellen hadden. Eén vertelde blijkbaar een mooi verhaal, de anderen keken toe. Een ander reageerde met een eigen verhaal en weer keken de anderen toe. De geluidssmog van de stad was om hen heen, vrachtauto’s raasden voorbij, taxi’s toeterden, maar het deerde hen niet, ze stonden onder een dak van stilte en concentreerden zich op de verteller, een adembenemend gezicht. Hoe vaak kom je mensen tegen die zoveel  aandacht voor elkaar hebben? Zo moet het zijn, dacht ik, dit is wat we allemaal willen.  We hebben moeite om elkaars verhaal te laten bestaan en breken in zodra we kans zien, alleen om ons eigen verhaal te kunnen vertellen. Op de televisie is het normaal geworden om de ander te onderbreken, geprofessionaliseerde onbeschoftheid. We zijn er aan gewend geraakt en voelen de stress niet meer. Daarom is een workshop storytelling zo bevrijdend. De andere deelnemers luisteren echt, applaudisseren als het klaar is en stellen vragen. Je hebt het gevoel dat je verhaal mag bestaan. Verplichte kost voor iedereen die met communicatie werkt.
Die jongens, dat begreep u al, waren doof. Ik gun ze een beter imago en daar ga ik aan werken, net zo lang tot gebarentaal sexy is geworden. Ik stel voor om reclamespotjes te maken met schaars geklede dames die uitnodigende gebaren maken en de opgehitste kijker naar de site van het Nederlandse gebarencentrum lokken om er achter te komen wat ze bedoelen. Dat je een loser bent als je geen gebarentaal kent. En als iedereen het kan (verplicht vak op school, onderdeel van sollicitatieprocedures), dan allemaal naar de workshop storysigning. Wat een rust zal er op de wereld neerdalen, het is de eerste stap naar wereldvrede. Want bedenk: gebarentaal is de  dirigent van de communicatie.
Zo heeft iedereen zijn doel. Het mijne is ambitieus, dat geef ik toe en ik doe het dan ook stapje voor stapje, te beginnen met deze coming out. Was u geschokt? Verbaasd?
Misschien was u verveeld, misschien trok u gekke gezichten.
Dan heb ik nog een lange weg te gaan.

 

vrijdag 1 februari 2013

Bluf


Ik weet niets.
Ik ben het banale weten ontstegen en verkeer in een toestand van gelukzalige onnozelheid.
Dat is heerlijk om te zeggen: “ik weet niets”, het suggereert grote wijsheid. Laatst volgde ik op linked-in een discussie waarbij een acteur langs de neus weg opmerkte dat hij deelnemers adviezen gaf, wat ook grote wijsheid suggereert, want hij weet blijkbaar hoe de ander moet communiceren. Dat niveau zal ik wel nooit bereiken.
Soms hoor ik een trainer met overtuiging zeggen dat als de één de ouderpositie inneemt, de ander vaak in de kinderpositie schiet. We weten allemaal dat het waar is, maar hebben we ook zelf ervaren dat het zo werkt? Hoe vaak ik al waarheden heb verkondigd die klakkeloos zijn overgenomen van hen die het weten kunnen! Het is bijna beangstigend als je je realiseert dat toehoorders die waarheid dan ook weer doorgeven. Als je  overtuigend was, tenminste…
We maken graag indruk, dus ventileren we boude uitspraken over onderwerpen waar we weinig van weten, vooral als we vermoeden dat de ander helemaal niks weet.
Ik raak op een inspirerende manier in de war van al die waarheden op linked-in. Ze dagen me uit om het tegendeel te beweren, wat dan net zo overtuigend klinkt. Ik bedoel, alles is waar, zolang je er maar in gelooft.Ook een waarheid als een koe die zich lui door het drassige weiland van de communicatie begeeft.
Dus roepen we voortdurend: melk is slecht, gluten heb je nodig, we willen allemaal geborgenheid, niemand leest nog een boek. We gooien communicatieve modellen in de groep met een vanzelfsprekend gezicht en omzeilen handig de vragen waar we geen antwoord op hebben. Ok, ik draaf een beetje door, maar u weet vast wel waar ik het over heb. Het is natuurlijk communicatief gezien een prachtig proces: roep mysterieuze onzin met vanzelfsprekende autoriteit en iedereen knikt ja.
Ik heb vaak geroepen: communicatie is nooit vanzelfsprekend. Sloeg in als een bom, aan al die peinzende en knikkende gezichten te zien, maar leg mij maar eens uit wat ik bedoelde. Nee, je kan maar beter bescheiden blijven en pas wat beweren als je weet waar je het over hebt. En als u daar te ongeduldig voor bent, roep dan maar eens in gezelschap: “Ik weet niets!”
Echt waar, daarna geloven ze alles.

 

vrijdag 4 januari 2013

Willen en kunnen


Achter de balie van de kopieerwinkel zit een man op een scherm te turen. Nadat ik de winkeldeur achter me gesloten heb, loop ik op hem af en wacht tot hij klaar is. Hij kijkt niet op of om, ik krijg het gevoel dat ik er niet ben, dus kijk ik naar de ingang, wie weet sta ik nog daar, tijd is tenslotte een rekbaar begrip… Na een eeuw op zijn scherm getuurd te hebben,  kijkt hij op en ik voel me prompt een abstract schilderij. Hij zwijgt indrukwekkend, dus ga ik maar praten en leg hem uit wat ik kom doen, wat voor een abstract schilderij best moeilijk is. Na dit verhaal draait hij zijn hoofd weer naar het scherm en wappert met z’n hand. Ik begrijp het, een hopeloze zaak… nee… hij wil dat ik het stickie dat ik laat zien in z’n hand leg.
En ik, altijd op zoek naar harmonie, doe dat. In de volgende minuten declameert  hij monologen als: ( arrogant) “kan ik vandaag niet doen” en ( vies gezicht)“ is het niet genummerd?” , en weet hij gedaan te krijgen dat ik sta te zweten van inspanning om de juiste kopieën in handen te krijgen. Dat lukt alleen als ik zijn uitgestreken smoel, dat op professionele wijze irritatie weet te onderdrukken, negeer. Jawel het is een vakman, maar ik moet niet denken dat ik belangrijk ben of zo. Voor mij tien anderen. Volhardend in geweldloosheid neem ik afscheid met een olijke zwaai in de hoop dat…nee, een glimlach krijgt de wereld vandaag niet te zien.
Als ik iemand met dit gedrag in een training krijg, laat ik hem alle hoeken van zijn belemmeringen en overtuigingen zien, maar ja, zo gedraagt een  mens zich niet in trainingen. Daar laat hij namelijk triomfantelijk zien dat klantvriendelijkheid een makkie is, hij kan het gewoon, de training is dus onzin. Maar of hij het wil is een tweede. En waarom zou hij het willen, het gaat toch altijd goed?  Nog nooit een klacht gehad en mensen zijn trouwens ontzettend dom, zoals laatst die man die niks genummerd had en dan moet hij dat allemaal weer regelen, ja zeg, voor niks gaat de zon op. Kortom, het gaat niet over vaardigheden, het gaat over hoe wij met elkaar willen omgaan. Ik wil altijd de lieve vrede bewaren en dat maakt blijkbaar geen indruk.
Misschien moet ik maar eens een cursus “Omgaan met Klantonvriendelijkheid” volgen.
Wie weet dat ik die man nog wat kan leren.

zondag 2 december 2012

Waarheid


Gisteren stond ik, naakt met gympen aan, op mijn cadeau gekregen crosstrainer. Daar zit zo’n apparaatje bij dat alles meet: tijd, afstand, hartslag, calorieën en nog meer bijzonderheden die ik niet begrijp. In sportscholen kunnen ze erg ingewikkeld doen over allerlei gegevens waar je niks aan hebt, behalve zorgen.
Onlangs las ik een discussie op internet. Ik kon het niet volgen, ben maar een eenvoudige jongen, dus las ik vol bewondering de pogingen om uit te leggen hoe een goede elevatorpitch tot stand komt. Dat is geen sinecure. Ik moet namelijk  werken vanuit mijn authentieke ambitie, waarmee ik doelen ga stellen en ook implementeren. Het cultiveren gebeurt door het voortdurend fine-tunen van mijn ambitie, die ik vanuit mijn droom en passie heb geformuleerd. Het cultiveren en managen van mijn authentieke brandstatement levert dan vanzelf klanten op. Het leven is hard, maar dat laatste wekte mijn interesse: klanten wil iedereen wel en dat het vanzelf gaat is mooi meegenomen. Aan de slag dus!
Bij het werken vanuit mijn authentieke ambitie begin ik zenuwachtig te worden, want die ambitie weet ik wel, maar is hij authentiek? Ben ik wel authentiek? Kom op, natuurlijk wel, maak je geen zorgen, gewoon nu doelen stellen, no problem, hup, schrijf ik zó op. Maar nu: implementeren! Heeft u wel eens uw authentieke ambitie geïmplementeerd? Dan heb ik uw rustgevende advies nodig, want mijn zenuwen maken nu plaats voor een alles verlammende onzekerheid. Bedrijven implementeren ingewikkelde computersystemen en daar doen ze een half jaar over, maar hoe implementeert een mens? Niet zeuren, nu gewoon die ambities fine- tunen. Ik schrijf ze nog maar eens op, nog finer en als ze op hun finest zijn: mijn brandstatement cultiveren. En managen. Oh nee, eerst de ambitie  vanuit mijn droom en passie formuleren, anders wordt het niks!
Ik ben nu volkomen van de kaart en bel in paniek een coach die me kan helpen de kluwen te ontwarren. Na een uurtje gestotter en gestamel mijnerzijds maakt de coach me duidelijk wat ik moet doen: weten wat ik wil en dat uitdragen. Opgelucht verbreek ik de verbinding, het blijkt heel eenvoudig te zijn: een waarheid als een koe!
Gerard Reve zei ooit: “je kan pas de waarheid van iets kennen als je er tegelijkertijd de belachelijkheid van inziet”.
Ik kijk met verwondering naar de alchemisten die de waarheid in poëzie weten om te zetten. Alleen door het niet al te serieus te nemen kan ik die waarheid ontdekken.
Ga maar eens naakt met gympen op een crosstrainer staan, dan weet u precies wat ik bedoel.

zondag 2 september 2012

Bos


Leuke werkvormen brengen me altijd in verlegenheid. Met z’n allen in een kring en dan een beweging doorgeven, het is van enorm belang, maar ik voel me opgelaten. Dat is niet te zien, want net als de meeste mensen ben ik een goed acteur en doe ik met een blij gezicht mee. Spelletjes roepen het kind in me op, nou en of, ik krijg zo langzamerhand een hekel aan dat kind, want het is veel beter dan ik. Natuurlijk kom ik mezelf dan tegen, dat weet ik ook wel, maar ja, al die afweermechanismen, hoe moet ik het zeggen, ik koester ze.
Als een trainer aan me vraagt of ik nog een leuke werkvorm weet, komt er ter plekke een verzonnen werkvorm naar boven, want ik kan al die spelletjes niet onthouden. Zo bedacht ik ooit een gesprek, waarbij de deelnemer steeds 5 seconden stil moest zijn voordat hij op mij, als acteur, reageerde. Bleek het een bestaande werkvorm te zijn, het stond zelfs in een boek.  Ik wist niet of ik me slim of dom moest voelen.
Ooit heb ik met een goeroe te maken gehad. Hij had een baard en een doordringende, maar vriendelijke blik. De ontmoeting vond plaats  in de 70er jaren op de Academie voor Expressie door Woord en Gebaar en was onderdeel van een werkweek, waarin communicatie de hoofdrol speelde. De goeroe ging zitten, waarna wij allemaal in een kring op de grond plaatsnamen en hem verwachtingsvol aankeken. Hij keek vrolijk terug en zweeg. Hij zweeg de hele dag. Allereerst werden onze verwachtingspatronen op de proef gesteld, daarna ons gevoel voor humor en ons geduld. Toen kwamen de onvermoede emoties aan de beurt. Aan het eind van de dag omhelsde hij ons allemaal, maar ik voelde geen verbinding, want er woedde nog een strijd in me. Het was indrukwekkend, ik ben het nooit vergeten. We leefden in het ik-tijdperk en deden er alles aan om onszelf te ontdekken. Ik ontdekte dat ik allerlei afweermechanismen, overlevingsstrategieën en buitenkanten heb, die mijn ware ik verbergen. Ik schrok en was jaren van de kaart. Toen ontdekte ik dat afweermechanismen etc een deel waren van het mens zijn en dat het er niet om ging om ze weg te werken, maar om er mee te leren leven. Al die lagen maken de mens interessant. Wie wil er nog zichzelf zijn? Wel nee, we zijn veel interessanter dan dat.
We leven niet meer in de 70er jaren, we zoeken naar manieren om verbinding te maken en daar zijn dan die werkvormen voor. We zoeken wanhopig naar steeds weer andere vormen, de één nog origineler dan de ander, het is een bos waarvan de bomen niet meer te onderscheiden zijn. Pak eens een boom en sla er, in stilte, je armen om heen.
En als je dan werkelijk verbinding hebt met die boom, ja, dan mag je de blaadjes plukken.
Ik ben eigenlijk ook een goeroe. Als afweermechanisme.

 

 

 

 

woensdag 1 augustus 2012

Allergie


Ik ben uniek. Dat is het goede nieuws. Het slechte nieuws is dat iedereen uniek is. Daar moet ik mee leven, niets aan te doen. Sommige mensen willen bevestiging van hun uniciteit.
Een paar dagen geleden stond ik in een franse tuin te wachten op een concert dat ik ging bijwonen, niks bijzonders hoor, gewoon een pianiste die wereldberoemd gaat worden, ik ken haar al zeven jaar, eigenlijk heb ik haar ontdekt. Maar goed, er kwam een echtpaar op ons af dat zonder inleiding over het huis begon te praten dat ze al 35 jaar hadden, nee, geen gewoon huis, 16e-eeuws, helemaal in  oude stijl hersteld, zelf gedaan, er stonden alleen nog maar vier muren, net het huis van de buurman gekocht, 13e-eeuws, ze moesten jaren wachten tot hij dood ging, nee het leven in Frankrijk stelt hoge eisen, hoor. Een vriendin, die bij me was, wist in een korte pauze de fatale opmerking te maken: “Ik weet er alles van, ik woon al 40 jaar in Frankrijk”. Waarop de vrouwelijke helft van het echtpaar met schelle stem verkondigde; “maar wij komen al 43 jaar in de Ardèche!
Het is interessant dat mensen met een huis in Frankrijk vooral benadrukken dat het eigenlijk een heel zwaar leven is en dat ze het zo belangrijk vinden dat het cultuurgoed bewaard blijft. Wat de meeste Fransen overigens worst zal wezen, maar dit terzijde.
Er zijn ook trainingsacteurs die bevestiging willen van hun uniciteit, ze verhalen uitgebreid over het rollenspel wat ze net hebben gedaan en waarin ze echt geweldig de deelnemer geconfronteerd hebben met heel bijzonder, lastig gedrag, “die ander zei namelijk dit, nou toen deed ik dat en daar had hij niet van terug…”.  Elke trainingsacteur is uniek en het is onze opdracht om dat in te zetten in trainingen, maar als een collega mij wil vertellen hoe bijzonder hij of zij is begin ik alledaagsheid te vermoeden.
Wat? Ja, ik heb een huis in Frankrijk. Nee, laat ik er maar niet over vertellen, het is namelijk een heel bijzonder huis met zwembad en een bron, maar ik wil er niet over opscheppen, want dan verslijt u mij voor alledaags en dat ben ik niet, ik ben trainingsacteur.
Toen mijn groenteboer mij vroeg (in Amsterdam zuid, daar woon ik namelijk, echt een unieke locatie) waar ik op vakantie was geweest, moest ik wel zeggen dat ik in mijn huis in de Ardèche was. De doorgaans uiterst geïnteresseerde en vriendelijke man draaide zich acuut om en ging zwijgend de aardappels sorteren. Volkomen allergisch geworden voor mensen met een huis in Frankrijk.
Ik geef toe, op dat moment voelde ik me enorm alledaags.

zondag 1 juli 2012

Toneel


Toen ik, net afgestudeerd aan de Toneelschool,  voor het eerst aan het werk was, vond ik mezelf belangrijk. Het gevoel een bijdrage aan de maatschappij te leveren en mijn eigen geld te verdienen maakte dat ik een echt koffertje van zwart leer had gekocht in een te chique winkel. Het koffertje stond dan in de trein naast me te bewijzen dat ik terecht in de eerste klas reisde. Het ging mij om uiterlijkheden en van werkelijke behoeften had ik nog nooit gehoord. Soms moest ik ergens overnachten en dan gingen er naast de teksten en aantekenboekjes wat kleren mee, die ik er ’s morgens gedachteloos in smeet.
Op een dag krijg ik in de trein een creatief idee en open mijn koffer. Het cahier waarin ik ga schrijven ligt bovenop de andere spullen te wachten. Een mooi cahier, dat hoort bij belangrijke mensen. En een degelijke vulpen om het beeld te perfectioneren. Peinzend als een groot schrijver aanschouw ik het landschap. De dame tegenover mij heeft een mantelpak aan en bestudeert indrukwekkende grafieken. Zij is ook belangrijk en ze kijkt naar mij. Zo wil ik het, een dame die begrijpt dat ze met een creatieve geest te doen heeft, wie weet een geniale. Al peinzend zie ik in het raam dat ze niet alleen kijkt, nee, ze zit zich kostelijk te amuseren. Een binnenpretje. Ook belangrijke dames hebben binnenpretjes. Haar ogen zijn gericht op iets dat zich naast mij bevindt. Een gevoel van onbehagen roert zich in mijn buik en terloops draai ik mijn hoofd naar het iets.  
Bij het achteloos vullen van mijn koffer had ik er niet op gelet welke kleren ik er in gooide, je ziet dat ondergoed toch niet, het maakt geen deel uit van het decorum. Nu wel. Over het hele oppervlak van de koffer ligt een onderbroek die ik heb gekregen voor sinterklaas, geheel bedekt met grappige sinterklaasjes en zwarte pietjes in felrode en gele kleuren. Met een ruk draai ik mijn hoofd naar het landschap, waar zich in het eindeloze groen ineens een zeer interessante koe bevindt.
Had die dame geweten wat Geweldloos Communiceren betekent, dan had ze gevraagd: “u schrikt en kijkt het raam uit. Zou u nu het liefst dat raam uit willen vliegen? U vindt het misschien belangrijk dat het imago dat u zorgvuldig heeft opgebouwd, in tact blijft?” En dan had ik opgelucht geantwoord dat dat zo is, want ik wil zo graag bij de belangrijke mensen horen. En dan had zij mij gevraagd naar mijn werkelijke behoefte en ik was bevrijd de trein uitgestapt. Maar de wereld zit vol leedvermaak en de dame zwijgt.
Ze weet het nu zeker: deze jongen speelt toneel.

vrijdag 1 juni 2012

Leuk


In de zeventigerjaren deed op de toneelschool het volgende verhaal de ronde: bij een groot gezelschap was het de gewoonte om na de voorstelling het publiek de gelegenheid te geven vragen te stellen aan de acteurs. Er was iemand die de hoofdrolspeler complimenteerde met zijn indrukwekkende King Lear en vervolgens vroeg: “En wat doet u nou eigenlijk voor uw beroep?”
Iedere trainingsacteur kent het. Je staat op een feestje en iemand vraagt wat je doet. Je zegt: “Ik ben trainingsacteur”. “Oh, leuk!” is dan vaak de reactie, als men tenminste weet wat een trainingsacteur is. Ons vak wordt door buitenstaanders steevast “leuk” gevonden.
Het schijnt dat er acteurs zijn die fijn een rollenspelletje spelen en vervolgens de feedback aan de trainer overlaten. Ze spelen toneel, want dat vinden ze namelijk erg leuk om te doen en daarna checken ze hun mobiel om te kijken of er nieuwe opdrachten tegen onkostenvergoeding zijn binnengekomen.
Stel, iemand doet af en toe een individueel coachtraject. Geen opleiding gedaan of zo, maar ach, hij kan het gewoon, zijn vrienden komen namelijk altijd naar hem toe omdat hij zo goed kan luisteren en heel fijne vragen stelt. En coachen is toch gewoon luisteren en heel fijne vragen stellen?  Structuur en diepgang, ach, daar vragen die coachees helemaal niet om. Hij vraagt er weinig geld voor, hoor, vindt het namelijk erg leuk om te doen! Moet toch kunnen? Ik vind het heel leuk om voor mensen in de bres te springen, dus ik denk dat ik maar de advocaat ga spelen…oeps, beschermd beroep, nou ja, dan ga ik in een keuken werken of zo, ben ik gewoon kok. Of is dat ook beschermd? Iedereen is wel een dilettant op één of ander gebied. Ik ben bijvoorbeeld een zondagsschilder. Soms verkoop ik iets en dan voel ik me een hele pief, maar toch is er altijd die lichte schaamte, die twijfel of ik te veel geld vraag.
Er was een discussie op internet over de tarieven van trainingsacteurs. Iemand schreef geruststellend dat hij een zeer laag bedrag vroeg, want hij had al een baan en hoefde dus niet van het acteren te leven. De laatste zin van zijn bericht sprak boekdelen: “ik vind het namelijk erg leuk om te doen! Vooral dat “namelijk” bleef me bezighouden: als je iets leuk vindt om te doen, vraag je er blijkbaar weinig geld voor. Tja, acteren in trainingen…
Het zal je hobby maar wezen.

dinsdag 1 mei 2012

Antwoorden


Soms wil je iets. Je denkt: dat wil ik ook kunnen, het is een mooie volgende stap in mijn ontwikkeling. Er zijn trainingsacteurs die trainer willen worden, ze zien dat als een logische volgende stap. Wat ze daarna worden weet ik niet. Heb ik ook gehad, die wens, en ik heb het geluk gehad dat ik het mocht proberen. Het kwam zomaar uit de lucht vallen, ik had al jaren voor een bedrijf als trainingsacteur gewerkt en werd gevraagd een training te doen over gastvrijheid en omgaan met agressie. Tuurlijk, doe ik, leuk!
Gedaan. Niet leuk. Er is een duidelijke reden: ik ben geen trainer. Het trainersvak balanceert tussen weten en niet weten, als u begrijpt wat ik bedoel. Het acteursvak heeft niets met weten te maken, het is reageren, vragen, verbazen, provoceren, omarmen, nou ja, zo kan ik nog wel even doorgaan. Het acteursvak is spannend, je mag veel als je de ander respecteert.
Soms wil ik ergens zijn waar ik niet ben. Het is een heftig maar vluchtig verlangen, dat vooral de kop op steekt als ik door een straat in Berlijn loop en bij mensen naar binnen kijk. Die rustgevende banken op zachte tapijten met robuuste lampen ernaast, zware vaal roze gordijnen, die nooit dichtgaan. Ze stralen veiligheid en zekerheid uit en ik wil daar zijn.
Heinrich Von Kleist schreef: “Ach, es ist meine angeborne Unart, nie den Augenblick ergreifen zu können, und immer an einem Orte zu leben, an welchem ich nicht bin, und in einer zeit, die vorbei, oder noch nicht da ist”. Romantische woorden waar ik vroeger mee dweepte. Ze kunnen maar beter een verlangen blijven, de antwoorden bestaan niet.
Ik was dus trainer en had een intake met een deelnemer, die een brandbrief had geschreven over de agressie die hij tegenkwam in z’n werk. Trainer Bert toog vol goede moed naar deze man, een aardige, integere persoon die om antwoorden verlegen zat. En ik suggereerde dat ik ze had, ik was hier tenslotte de expert. U begrijpt al wat er gebeurde: teleurstelling toen hij in de training merkte dat er geen antwoorden waren, alleen vragen. En ik kon hem daarin niet begeleiden. In die training kreeg ik dat gevoel dat ik ergens anders wilde zijn, maar ik liet het niet merken. Afgezien van de teleurstelling van die deelnemer bracht ik het er goed van af, men hing aan mijn lippen, mag ik met trots mededelen.
Dat komt, ik ben een erg goed acteur.

zaterdag 3 maart 2012

Het gaat niet over mij

Soms wil het niet lukken, die training. “lastige groep”, zeg ik dan, “en de opdracht was ook niet echt duidelijk, en ze zijn niet in staat om abstract te denken”. Dat is fijn om te zeggen, want het ontslaat me van elke verantwoordelijkheid, zodat ik mezelf op de terugweg door de ramen van de treincoupé, vermengd met de onverschillig opkijkende schapen, in de ogen kan kijken. Ik bevind me dan in een verregaande staat van ontkenning.
Een tijd geleden liep ik op straat en zag ik aan de overkant een Beroemde Acteur lopen. Ik kende hem van de toneelschool, dus maakte ik aanstalten om hem te begroeten. Maar de Beroemde Acteur keek snel een andere kant op en had ineens ontzettende haast. Ik zag mezelf als op een foto: lichaam gestrekt, de armen halfstok, het gezicht op weg naar een enthousiaste kreet, de voeten in basalt geklonken. Het was duidelijk: de Beroemde Acteur wilde mij niet tegenkomen. Ik ben gezakt voor het Beroemde Acteur Examen en wat zeg je tegen een gesjeesde collega? Hoe gaat het met je? Nee, dan maar liever negeren. Ik begrijp dat wel.
Wat heeft dit voorval met verantwoordelijkheid te maken?
Amos Oz schrijft in zijn boek “Een verhaal van liefde en duisternis” over de slechte lezer. De slechte lezer zoekt in het gebied tussen het geschrevene en de schrijver, wil het echte huis zien waar de schrijver het in z’n roman over heeft. De goede lezer zoekt in het gebied tussen het geschrevene en zichzelf. De goede lezer weet dus onmiddellijk dat je de Beroemde Acteur ook anders kunt interpreteren, bijvoorbeeld als iemand die allergisch is geworden voor fans die zich opdringen en dus snel doorloopt zonder de collega van jaren her te herkennen. Nou ja, elke goede lezer zijn eigen interpretatie.
Wij nemen liever geen verantwoordelijkheid. De schrijver heeft het geschreven, het zal wel zo gebeurd zijn. De groep was niet goed voorbereid, daar kan ik niks aan doen. En wie zou dat zijn, die Beroemde Acteur? En waar liep de schrijver dan precies?
Sommige vrienden vinden dat ik me te kwetsbaar opstel, maar u bent ongetwijfeld een goede lezer en zult begrijpen dat deze column over u gaat en niet over mij.

maandag 13 februari 2012

Held

Ik heb weer eens een beslissing genomen. Het gevolg van mijn beslissingen is meestal kwelling en tegenslag. Ik heb mijn grootste opdrachtgever vaarwel gezegd en met een gevoel van onoverwinnelijkheid ga ik naar bed, waar ik in slaap val als een dappere prins die zijn hart heeft gevolgd. “Ik kan het zelf wel!”, schreeuw ik tegen mijn overmoedige zelf, “ik ben toch iemand? Ik kan toch wat!” De reacties zijn strelend: moedig van je, je bent een kanjer.  Dan met een schok wakker worden uit de droom met van top tot teen loeiende sirenes  en weten: dit is een paniekaanval. Ik sta in de kamer, gevlucht uit het prinselijk bed. De straatlantaarn werpt een bleek schijnsel op mijn versleten kamerjas en mijn kleurig gebreide sokken. Er is niets meer over van de zekerheid die ik voelde bij het opsturen van de brief, die mij van de ketens der onrechtvaardigheid ging bevrijden. Daar sta ik dan: de held op sokken op zoek naar verlichting. Schrijven, denk ik, ik moet het opschrijven, dan krijgt het een plek. En ik schrijf alles op en het helpt, wat zeg ik? Pure loutering vind er plaats. Dat ik daar niet eerder aan gedacht heb! Stap 8! Ik zit gewoon in stap 8, waar de held geconfronteerd wordt met zijn diepste angsten, je moet er doorheen, nog maar vier stappen te gaan om als held binnengehaald te worden en de gemeenschap te verrijken met mijn zinderende talent! En zie, daar staat de held zelfopofferend naar het slagveld te staren,  de zon beschijnt zijn getaande technicolorgezicht, waarin staalblauwe ogen onverschrokken naar de horizon turen, zijn maliënkolder spuwt zilver en gouden lichtflitsen, beschermd hem tegen de pijlen van de harde werkelijkheid. Monsters en draken, kwijlende wolven, alles kan hij aan. Het leven is een verhaal dat je zelf moet schrijven en dat ga ik doen! Wat zei Mieke Bouma ook al weer: “De reis van de held helpt ons realiseren wat we ten diepste willen en wijst ons de weg naar een zinvolle bestemming”. Ik ga mijn vinger in een dijk stoppen! Die roman? Die komt er!  Dames en heren, hier staat hij: de eerste acteur met oorapparaten in een soap!
Ik kijk naar beneden en zie mijn witte benen realiteit. Die benen gaan hun eigen weg. Ik mag me dan Guust Flater voelen: niemand kan mijn leven bepalen, niemand weet wat mijn opdracht is. Ja, ik ben een held op sokken, maar wel in mijn eigen verhaal.

Deze column heb ik in het Compagnietheater voorgelezen bij de presentatie van het boek De held in je eigen verhaal van Mieke Bouma. Zij schreef ook Storytelling in 12 stappen. Zie:


zondag 16 oktober 2011

Prop

In The Age Of Absurdity betoogt Michael Foley* dat het steeds moeilijker wordt om gelukkig te zijn. Eén van de oorzaken is dat we geen verantwoordelijkheid meer nemen voor ons eigen falen.
Een vriend van mij heeft ETD. Hij heeft het opgelopen door te veel training; het is een slopende ziekte, die niet meer te behandelen is, als je er niet snel genoeg bij bent.  Je merkt niets aan hem, het is een heel vrolijke jongen en hij functioneert heel goed. Maar vorige week gingen bij mij de alarmbellen af toen hij zo maar ineens tegen mij zei: “ik ben niet meer trainbaar”. Ik schrok me rot, maar liet dat niet merken. ETD  ( Effective Training Disorder) is een psychische aandoening die zich in de loop van een aantal communicatietrainingen langzaam ontwikkelt. Je bent je er eerst niet van bewust en de eerste verschijnselen doen zich vooral voor in de vorm van verveling. Daarna neemt een gevoel van zinloosheid bezit van je, die overgaat in de overtuiging dat je niet “trainbaar” bent.
Ik ben van de populaire filosofie, dus u hoeft geen onderbouwd wetenschappelijk relaas over de werking van de hersenen te verwachten. Ik stel het me zo voor: bij ETD heeft zich een cluster van communicatiemodellen in de hersenen ontwikkeld tot een prop, die de wil om te leren blokkeert. Heerlijk, die populaire filosofie, je begrijpt nog eens wat.
Mensen met ETD zijn herkenbaar aan de ironische glimlach. Ze houden van trainingsacteurs, die de verveling voeden door een rollenspel te spelen, waarin niets gebeurt. Bij de evaluatie mompelen ze dat je altijd wel iets van zo’n training opsteekt en dat is dat.
Ik heb dat ook meegemaakt, het zijn de dagen dat ik er over denk om taxichauffeur te worden.
Ach, zo vaak komt het niet voor, die ETD, het zijn maar uitzonderingen. Toch?
Gelukkig heb ik een opleiding gehad waar ik heb geleerd emoties op te roepen, bij mezelf en bij de ander. Het is de enige weg om die prop los te schudden.
Toen die vriend van mij zei dat hij niet meer trainbaar was toonde ik geen emotie. Maar dat was in het echte leven en daar heb ik last van THW (Total Harmony Wish). Daar kan ik niks aan doen, dat heb ik namelijk al vanaf mijn jeugd.
Nee, daar kan ik geen verantwoordelijkheid voor nemen.

*Ierse filosoof. Schrijft over de paradox van de moderne tijd: hoe beter we het hebben, hoe ongelukkiger we zijn.

vrijdag 2 september 2011

De Werkelijkheid

Ooit zei een deelnemer: “met verandering kan ik heel goed omgaan, ik negeer het gewoon”.
Ik luister altijd met een wijs gezicht naar deelnemers in trainingen en cursussen als het over de angst voor veranderingen gaat. “Loslaten”, denk ik dan vanuit mijn stoel, “de wereld is in beweging, weet je wel, het hoort erbij”. Met verbazing kijk ik hoe mensen willen vasthouden aan het oude, hoe star ze zijn in hun denken, hoe bang om hun zekerheid te verliezen. “Verandering is goed”, mompel ik tevreden, “het houdt je in beweging, het houdt je scherp,zonder verandering blijf je achter en raak je hopeloos geïsoleerd”. Met dat wijze gezicht stel ik vragen en met andere gezichten speel ik rollen die ze helpen om in beweging te komen en vrede te sluiten met de turbulentie van de maatschappij.
Ik ben onwetend en arrogant.
Al Jarenlang heb ik een innige band met een acteursbureau. Ik doe mijn best om ze zo goed mogelijk te vertegenwoordigen, zij geven mij de gelegenheid om me te ontwikkelen door me workshops aan te bieden en aan langdurige trajecten deel te laten nemen. Het voelt als een warm bad en ik laat het me welgevallen.
Nu is er een crisis. Die was er al, maar ik heb het genegeerd. Dat was helemaal niet moeilijk. Het acteursbureau is plotseling nieuwe wegen ingeslagen om in deze tijd te overleven, de vergoedingen staan onder druk, ik ben niet meer de steracteur, de troef die ingezet wordt, ik moet me weer bewijzen tegenover nieuwe opdrachtgevers.
Wat ben ik boos. Ik word niet gewaardeerd, ik word aan de kant geschoven als oud vuil, er is geen respect voor expertise, het gaat alleen nog maar om het geld. Ik schrik van de weerstand die zich ineens in mijn buik vestigt, ik schrik van de starheid in mijn denken, van de angst voor een onzekere toekomst.
Nou is die toekomst wel heel onzeker, hoor! Geen vaste baan!, helemaal opnieuw beginnen!, geen verzekering voor arbeidsongeschiktheid!, ik ben er wel heel erg aan toe!, veel erger dan al die zeurpieten met hun riante arbeidsvoorwaarden!
Nee, ik ben nog niet bekomen van de schrik. Verandering is niet fijn. Het confronteert me met de plank waar ik tegen aan kijk en niet zie.
Ik ga maar eens op cursus.

vrijdag 20 mei 2011

Beeldvorming

Laatst stond ik met een deelnemer, Jan,  te praten over van alles en nog wat. Ineens zei hij tussen neus en lippen door: “Acteurs zijn zeg maar erg onzeker”. Na enig doorvragen verklaarde hij: “Ze verschuilen zich achter een rol, zeg maar”. “Ze verschuilen zich achter een rol”, zei ik, maar het grapje kwam niet over.
Heel lang geleden zag je ze nog wel eens: acteurs die een assortiment aan brillen en petten in de rugzak met zich meevoerden, wie weet met etiketjes: dominant, afstandelijk, sociaal.
Ik heb zelfs wel eens een acteur gezien die een hele koffer met kleren meezeulde, ik geloof dat hij voor assessments drie pakken had. Ik zie ze weer door de gangen van de conferentiecentra lopen, ietwat haastig, hun handen om de tas met bevrijdende hoeden en oorbellen geklemd, met spanning uitkijkend naar het moment dat ze in hun rol mogen kruipen. Ik zie de verbaasde ogen van de deelnemers, ik zie de lol die ze hebben bij zo’n vertoning en ik zie het medelijden dat ze voelen voor deze acteur die blijkbaar niet geschikt is voor een normaal beroep. Ook ik heb ooit op het punt gestaan om een rugtas aan te schaffen, met handig zakjes voor rekwisieten. Inderdaad, we verscholen ons achter een rol en speelden wat de effectieve communicatie betreft een verloren wedstrijd.

Op de middelbare school hebben we ook eens acteurs in de klas gehad. Ik weet niet meer wat ze deden, alleen nog de opmerking van de leraar over hun afgetrapte schoenen: “Blijkbaar hebben ze geen geld om fatsoenlijke kleren te kopen”.
Acteurs zijn arm en onzeker en als ze in de communicatie werken zijn ze ook nog mislukt.
Laten we eerlijk wezen, we hebben lang geleden zelf bijgedragen tot deze beeldvorming. Nog steeds krijg ik schalkse blikken en knipoogjes, alsof we een geheimpje delen, van medewerkers die niet aan de training meedoen, maar het wel enig vinden dat er een acteur op de gang loopt. We spelen toneel, zijn grappig en niet serieus te nemen.
En nog steeds krijg ik de opdracht van trainers om “vanuit de rol” feedback te geven en daarna vanuit de acteur. Geen idee wat ze bedoelen, maar daarover aan andere keer.

Toen ik zag dat Jan, de deelnemer, helemaal achteraan was gaan zitten, had ik de neiging om naar hem toe te gaan en te zeggen: “Bang voor de eerste rij, Jan?”

Niet gedaan natuurlijk, dan laat je je zo kennen, zeg maar.

woensdag 23 maart 2011

Voorzeggen

Als kind kon ik erg boos worden als een ander kind het raadseltje verklapte dat mij was opgegeven. “Je mag niet voorzeggen!”, riep ik dan. Het was veel spannender om het zelf te ontdekken, het weten was niet belangrijk en het zoeken was een manier om vat op de wereld te krijgen. Kortom:  leren was leuk.
Dat heb ik in mijn schooljaren wel afgeleerd, leren was toen uit je hoofd leren, het stond in het teken van goed of fout en als je het nogal eens fout had, zoals ik, dan werd leren een vermoeiende bezigheid. En uiteindelijk werd ik lui.
Toen ik lang geleden met trainen begon was het voorzeggen schering en inslag. Deelnemers werd geleerd hoe ze met emoties moesten omgaan. Ze moesten dan bijvoorbeeld de volgende zin zeggen:
“Ik zie tranen in je ogen en je schouders hangen een beetje naar voren, dat geeft me de indruk dat je verdrietig bent, klopt dat?”.
Het werd ijverig in schriftjes opgeschreven en in het beste geval werd het ook nog toegepast. Als degene waarop het uitgeprobeerd werd uitgelachen was, namen ze hopelijk het besluit om die zin nooit meer uit te spreken. Misschien hadden ze geleerd om te zwijgen, wat dan weer heel mooi is.
Dat doen we dus niet meer. Overtuigen doen we nog wel, wat een verkapte vorm van voorzeggen is. Vorige week nog betrapte ik mezelf er op dat ik een deelnemer er van zat te overtuigen dat een bepaalde reactie op mij niet zo slim was. Hij was het er niet mee eens.
Onlangs leerde ik in een workshop een mooi woord: prestatiereflex. De wil van de trainer of acteur om resultaat te behalen is een patroon geworden. De deelnemer wil ook resultaat, dus men is al snel tevreden. Nou ja, tevreden…De uitwerking van het reflex is bijna zichtbaar: een elektrische deken van vertwijfelde moeheid valt over de groep deelnemers, een gaap wordt onderdrukt, een vingernagel bestudeerd.
Er woedt nu een bijna hypnotische tweestrijd in mij: hevig op zoek naar een manier om mensen het plezier, dat leren is, te laten herontdekken en tegelijkertijd de wil om te overtuigen.
Prestatiereflex is lastig te weerstaan. Ik wil het niet meer, ik wil mijn prestatiereflex vernietigen. Ik weet niet hoe.
Wie het weet mag het voorzeggen.

dinsdag 8 februari 2011

Column Onjuiste Communicatie

“Het echt zijn van de trainingsacteur heeft als doel directe communicatie te bewerkstelligen, zodat hij de vrijheid heeft om zijn intuïtie te laten werken”.
Een zin van mij, gevonden in een aantekenboekje. Het is zo waar als een koe en het roept talloze vragen op.
De Dikke Van Dale maar eens geraadpleegd over intuïtie: “onmiddellijke, niet op begripsdenken en redenering berustende overtuiging van de waarheid”.
Gelukkig roept dit ook veel vragen op , dat is dan weer geruststellend.
Over het echt zijn kun je boeken vol schrijven, maar een deelnemer weet onmiddellijk of de acteur aan het toneelspelen is of niet.
Stanislavski zegt in Lessen voor Acteurs:

“Met onjuiste communicatie bedoel ik dat je niet rechtstreeks in contact met je object bent, dat je indruk probeert te maken met je rol en met jezelf”.

Een tijdje geleden wilde een deelnemer weten wat er met hem gebeurde als hij met een zeer arrogante klant te maken kreeg. Maar dan ook echt Arrogant, niet mee te praten. Het ging hem niet zozeer om de vaardigheden die hij moest inzetten bij dit gedrag, maar om zijn eigen gevoel en hoe daar mee om te gaan. Op een gegeven moment brak hij ons gesprek af en gaf mij een twijfelachtig compliment:
 “Je speelt het zo goed, ik word er door afgeleid”.
Ik was inderdaad fantastisch.
Arrogante collega’s zijn mijn specialiteit en als de deelnemer mij dan ook nog vraagt echt heel arrogant te zijn, nou, hoed je dan maar.
Echt, ik zag het verbouwereerde gezicht wel en echt, echt waar, ik bleef hem in de gaten houden en gaf hem openingen om de storm te keren, heel professioneel allemaal, maar hij had me uitgedaagd als acteur. Mijn rug strekte zich, mijn voeten schoten wortel en in mijn gezicht was ongetwijfeld al de arrogantie te zien die zo dadelijk het toneel ging bestormen. Het publiek verkneukelde zich, terwijl ik me voorbereidde op de val in de bekende kuil.
Al snel werd duidelijk wat er met de deelnemer gebeurde: hij klapte dicht.
Een goed uitgangspunt om op in te haken, maar dat terzijde.
Vijftien jaar heb ik er over gedaan om het Grote Acteren van me af te schudden en dan leest uitgerekend Stanislavski me de les.

dinsdag 4 januari 2011

Column Valkuil

Hoe diep is een valkuil?
De mijne is 2.03 m, het is er heel knus met een lekkere stoel die je in allerlei standen kan zetten. Er hangen bordeauxrode gordijntjes van zacht fluweel. Er zijn geen ramen, maar die beeld ik me in: als ik er doorheen kijk zie ik arcadische landschappen met Hollandse koeien. Ik voel me er thuis.
Ik ben zo’n roker die in februari stopt, in juni één “sigaretje”rookt, in september op een spannende avond met veel drank zes peuken van anderen jat en in november weer gewoon zelf sigaretten koopt om daarna weer allerlei pogingen te doen om er vanaf te komen.
Ik weet zeker dat ik één sigaretje kan roken, ik weet het absoluut zeker en zie je wel: de volgende dag taal ik er niet naar, alles onder controle. Ik val er dus weer in en kijk vanuit mijn stoel naar de rust van de niet aanwezige koeien. Ik wil die valkuil, ik hou van ‘m
Pas hoorde ik het weer in een training:  ja, dat is mijn valkuil… Het ging over stiltes, de deelnemer kon daar niet tegen en ging dan praten, wat inhield dat hij van alles voor de ander ging invullen.
Het was geen ontdekking.  En al helemaal geen confrontatie. Nee, de spreker keek me berustend en een beetje trots aan: vertel mij niks, ik heb vaker met dit bijltje gehakt.
En dat is het dan. Het is een gegeven. Geconstateerd. Iedereen blij.
Voor werkelijke verandering is meer nodig, dat weten we allemaal.
We hopen dat de deelnemer er over na gaat denken en er echt iets aan gaat doen.
Gaat niet gebeuren, dat invullen voor de ander gebeurt voor een knapperend haardvuurtje met een glaasje congnac.
Hoe zit dat bij mij?  Als ik in een valkuil trap vind ik dat wel genoeg, ze moeten niet door gaan zagen over overtuigingen die ik heb, stappen die ik moet gaan zetten, daar word ik ontzettend kriebelig van, daar ben ik allergisch voor.
Maar als ze creatief gaan doen en vragen hoe diep die valkuil is, dan weet ik wel een antwoord: 2.03 m